Het ene moment zijn jullie besties, het andere moment kun je elkaar wel achter het behang plakken. Dit en meer herken jij als je broertjes of zusjes hebt.

  • Jullie vinden helemaal niet dat jullie op elkaar lijken.
  • Jullie zijn elkaars beste vrienden en grootste vijanden tegelijkertijd.
  • Kibbelen komt regelmatig voor. “Mam zegt dat ik haar favoriet ben.” “Niet.” “Wel!”
  • Je kan je spullen vaak niet vinden omdat je zusje die heeft ‘geleend’. (grrr).
  • Of jij trekt de sweater van je broer aan want die is veel leuker en is lekker oversized.
  • Jij mag je broertjes of zusjes wel plagen maar zodra iemand anders dat doet, word je boos.
  • Jullie vertellen elkaar dingen die je niet zo snel aan je ouders vertelt.
  • Je hebt grapjes met elkaar die niemand anders begrijpt.
  • Ze doen alsof ze je niet missen, maar als je terugkomt van vakantie, zijn ze toch wel blij dat je er weer bent.
  • Je kleine broertje komt soms voor advies naar jou toe en dat vind jij stiekem heel schattig.
  • Jullie maken altijd ruzie over wie er als eerste de badkamer mag gebruiken.
  • Soms zou je best een enig kind willen zijn… Heel soms dan!
  • Maar dan besef je dat een broer of zus hebben, zo slecht nog niet is.

Meer herkenbare dingen: